kop

Door Cor Booy

In de tijd toen er nog geen trekkers in gebruik waren op de boerderij, werden in de hooitijd "hooitrekkers" ingezet. Dat waren paarden , die naast de eventueel al aanwezige paardekracht extra werden gehuurd. Meestal van akkerbouwers, die in de hooimaanden juni en juli hun paarden nog niet nodig hadden voor oogstwerkzaamheden. De hooitrekkers waren dan ook niet zelden de zgn. "Belzen"; het Belgische landbouwpaard dat in Noord-Holland veelvuldig voorkwam op de akkerbouwbedrijven.
De hooibouwperiode duurde veel langer dan tegenwoordig. Wel zo'n week of zes. Meteen gevolgd door een periode van mest uitrijden. Dat kon die hooitrekker vaak nog mooi even doen!
Behalve paarden waren ook meer mankrachten nodig. Hooi maken bracht veel handwerk met zich. De meeste boeren hadden wel een maaimachine. Veelal een "tweepaards". De Amerikaanse "Bobby"-schudder was populair en vaak was ook de "paardenhark" wel aanwezig. Wiersenmakers waren zeldzamer. Dikwijls was het wiersen maken - of "wieringen", zoals het ook wel genoemd werd - nog handwerk. Met de houten hark. Net als "kantjes uitharken", langs de greppels - en slootkanten.
Wie geen paardenhark of tuimelhark had, moest ook de wiersen met handwerk in elkaar schuiven, om er hooihopen van te maken. Daarin onderscheidde men ook soorten: regenhopen en, nou ja, de gewone hooi-oppers, voor het uiteindelijke transport. Regenhopen waren kleine hooihoopjes, "vluggertjes", voor als er regen dreigde, maar die na de regen weer uit elkaar moesten, gespreid en geschudderd om verder te drogen.
Was eenmaal het hooi definitief "aan de hoop" gezet, dan gaf dat een paar dagen een prachtige aanblik in het landschap: die "reuze-bijenkorven" (die vorm hadden ze), als soldaten in strakke gelederen op de stoppelakkers!

"Koppie doen" in't land
Hooitijd betekend altijd: zoveel mogelijk profiteren van het gunstige weer en zo min mogelijk tijd verbeuzelen met "onnutte" dingen. Er werden wel koffie- en theepauzes gehouden, maar vaak zonder ervoor naar huis te gaan. Moeder ging met een mand met broodjes en de koffiepot, suikerpot en melkkan naar de hooiers in het land. Daar lag of zat men dan een minuut of tien om de picknickmand, roerde de koffie met een hooihalmpje en genoot zo even van het "bijkomen" in het zonnetje. Zo werd hooien ook nog een sociaal gebeuren. Met extra arbeidskrachten zoals de Drenthen en de Geldersen (de "poepen"), die zich als seizoensarbeiders hadden verhuurd in de hooibouw.
Ook gebruikelijk was dat ergens in een greppel een pot koude thee werd neergezet om de dorst te lessen tijdens de werkzaamheden. De greppel werd uitgekozen omdat de pot daar het minst kwetsbaar was. Bovendien bleef de thee er koel, als er wat gras of hooi over de pot werd gespreid.

Hooibouwverlof
Oudere schooljongens (4e, 5e en 6e klas) konden gedurende twee weken "hooibouwverlof" krijgen van school, als hun vaders een briefje met het verzoek daartoe bij de meester indienden. Daar werd gebruik van gemaakt: Klaas Beets en Piet Reijne ontbraken zo prompt twee weken in de schoolbanken.
Het hooitransport vergde ook het een en ander.
Allereerst het aan de hoop zetten. Bij sommigen werd dat ingeleid door het "tiemen": een balk, met touwen aan beide einden en aan de "spoorstok". Daaraan de strengen naar het paardetuig. De balk werd dwars op de wiers gelegd; het paard kreeg commando en schoof door middel van de tiembalk de wiers een eind in elkaar. Op het commando "ho" bleef het paard (hopelijk) staan, waarna de tiembalk over de losse bult hooi werd getild en opnieuw in de schuifpositie gebracht. De losse, warrige hooibult werd door een tweede en derde man meteen in het model "bijenkorf" herschapen.
Op zo'n dag kon het, als het windstil was, rondom "daveren" van het "ho" en "vort maar".

Ponderen
Voor het transport naar huis werden de "boerenwagens" (met een kromme dissel) in gereedheid gebracht: het hooiraam erop om het draagvlak te vergroten. En de "hooiponder" aan een touw slepend er achteraan.
Tijdens het laden in het hooiland, stond altijd één man op de wagen om de hooilast goed op te bouwen, terwijl twee of drie anderen hem de plukken op hun hooivorken aanreikten. Was de wagen hoog genoeg opgetast, dan moest er "geponderd" worden. De hooiponder, een lange ronde balk, met een kerf rondom op zo'n 20 centimeter van het ene eind =, werd in de rijrichting op de hooilast gelegd. Met een hooibint, een dik touw, werd een lus om het achtereind van de ponder geslagen die werd aangesjord. Aan de voorkant ook zo'n lus, die door de kerf achter het kopeind ging. Zo werd de wiebelende vracht vast gezet en behoed voor afglijden en omvallen, terwijl de hooiwagen huiswaarts ging door het hobbelige stoppelland. Meestal bleef er ook een man boven op de hooilast liggen. Voor jongens was het een attractie om ook daar bovenop mee te liften naar huis.

De Jacobsladder
Verscheidene buren in mijn jeugd waren in het bezit van een electrisch aangedreven Jacobsladder: een eindeloze band, met dwars erop latten waarin stompe ijzeren tanden waren gestoken. Die band met getande "meenemers" liep door de lange houten goot, die tot bijna in de nok van de boerderij reikte, midden boven de "binnenberg". De eerste vorm van automatiseren in de hooiwinning. Ik vond het altijd een boeiend gebeuren, die plukken hooi gestadig naar boven te zien glijden, door de houten goot. Bovenaan gekomen kiepte automatisch de pluk naar beneden, op het punt waar de transportband keerde. De pluk hooi viel in de berg, waar een paar man bezig waren met het opnieuw stellen van de hooitas.
Niet álle hooi werd zo machinaal in huis gebracht. Wie zijn binneberg vol had en nog hooi over, kon dat nóg eens door zijn handen laten gaan, om buiten een of twee "hooiklampen" op te bouwen. Die werden van een afdekking met bladriet voorzien, tegen het inregenen. En bovendien nog met een "klampnet", verzwaard met stenen rondom of op de hoeken, tegen het opwaaien. Er waren trouwens ook wel boeren die begónnen met het opzetten van zo'n hooiklamp, op het erf: niet meteen in de binnenberg. Omdat het hooi wel eens warm, te warm, kon worden.

Vele eersten
Sommige boeren lieten zich verleiden tot een competitie: wie heeft het eerst zijn hooi binnen. Er zijn er geweest die er hun hele leven over hebben gedaan om te leren begrijpen dat hooien geen zaak is van competitie, maar van je gezonde verstand gebruiken. Degenen die het best konden zien dat buurman het hooi al thuis had, hebben in de regel het minst hoeven "spitten". De buurman die zijn eigen record hardhooien probeerde te verbeteren, had in de regel ook het record "hooispitten" of "de berg naar buiten" op zijn naam. Soms wilde men dat voor zijn buren niet te weten - er werd wel eens 's nachts gespit - maar je hoefde er maar langs te fietsen om het te kunnen ruiken.

De hooikros
Tja, de boerenwagens met het hooiraam en de ponder: al vóór de tweede wereldoorlog verleden tijd. Op de schoolplaat van Jetses kun je ze nog zien.
Midden jaren dertig verscheen de "hooikros" in het land. Een brede platte bodem, van planken met wat tussenruimte, op een laag tweewielig onderstel. Een zwenkwiel middenvoor, aan een hoge metalen stang, waarlangs de hoogte van de voorkant van de "kros" met een klembout kon worden ingesteld. Aan de achterkant van 't plankier zat een scharnierende klep, van eenzelfde houten constructie als het plankier zelf. De klep kon naar achteren worden geklapt en op de grond neergelaten, zodat er een glijbaan ontstond. Nu hoefden geen drie, vier man er aan te pas te komen om de hooiwagen op te laten. Het paard, de hooitrekker, trok met verlengde strengen (een hooibint aan de spoorstok) in één gang een hooi-opper op de hooikros en zo ver mogelijk naar voren. Zo konden er enige "bijenkorven" achter en naast elkaar op de kros naar de berging of de klamp-in-aanbouw worden getransporteerd. Het lijkt nog wat primitief, maar het schéélde al tijd en spierkracht.

Op katrolletjes
En dan was er nog de methode van het hooi "opjagen". Een manier om het hooi in de binnenberg te krijgen voor hen die niet over een Jacobsladder beschikten en het ook niet pik na pik binnen het vierkant wilden brengen.
Voor het opjagen was een katrol nodig in de nok van de stolp. Als regel is dat de punt midden boven de bovenberg, die immers wordt gevormd door de vierkantsbalken van de stolphoeve. Beneden, in de dars, een tweede katrol.
katrol Over die kartollen liep een lang touw. Aan het ene einde een grote lus. Aan het andere eind een haak, om in te haken aan de spoorstok met de strengen. De lus werd om een vracht hooi geslagen, op de darsvloer. Het paard werd "aangehaakt" en ging trekken, waardoor de lus vol hooi werd opgehesen, tot 'ie boven het hooischot uit boven de berging kwam te zweven. Dan was het "ho, paard". En: "terug". De vracht hooi zakte in de berg, werd "ontlust" en kon worden "gesteld".
De methode vergde twee man en een paard. Eén man in de berg, de ander op de dars om het paard te leiden. Ook dit koste minder spierkracht dan het "opsteken". Door de grotere vrachten in de lus ( de hooitrekker trok wel...) ging het ook vlugger dan met de hand. Ik heb het mijn naaste buren jaren zo zien en horen doen. Met hun commando's "jaaa", "ho" en "terug".

Zo ging dat, toen er nog werd gehooid zonder trekkers en acrobaten, zonder balenpersen en opraapwagens. Allemaal dingen waarvan ik ook toen al vond: best boeiend om...naar te kijken!




Een opmerking of iets leuks te melden over deze pagina? Of misschien een toepasselijke afbeelding om erbij te zetten? Stuur me een berichtje!

Naam:

E-mail adres:

Onderwerp:

Bericht:

 
 
Your Name:
Your Email:
Your Comments:



Omhoog